Terug naar het overzicht "Gehooronderzoek"
Waarom regelmatig onderzoek?
Bij een vermoeden van gehoorverlies is een bezoek aan een arts noodzakelijk. Personen met een verstandelijke beperking worden bij voorkeur onderzocht in een gespecialiseerd centrum, met aangepaste tests.
Studies en ervaring wijzen uit dat het niet evident is om gehoorverlies bij deze doelgroep op te merken. Tekenen van gehoorverlies worden makkelijk verward met die van een lager ontwikkelingsniveau, gedragsproblemen, dementie of algemene achteruitgang door het ouder worden. Vandaar het belang van regelmatig gehooronderzoek, zelfs wanneer er geen vermoeden is.
Als voorbereiding op het onderzoek of als alternatieve screening kan de checklist gehoor worden afgenomen (zie de bijlagen onderaan).
Hoe vaak gehoorscreening?
De werkgroep audiologie en verstandelijke beperking van de EFAS (European Federation of Audiology Societies) stelde richtlijnen op voor het screenen van oor- en gehoorproblemen bij personen met een verstandelijke beperking. Volg ze, zodat oor- en gehoorproblemen tijdig opgespoord worden.
| Audiologische zorg | Persoon met VB, algemeen | Persoon met syndroom van Down | Persoon met VB, geschikt voor hoorapparaten |
|---|---|---|---|
| Oorsmeer verwijderen | jaarlijks | twee keer per jaar | twee keer per jaar |
| Gehoorscreening |
|
|
|
Voor iedereen geldt bovendien: jaarlijks een gehoorscreening voor wie elke dag acht uur blootgesteld is aan lawaai boven 75 dBA.
De intake
Voordat de onderzoeker start, verzamelt hij zoveel mogelijk informatie. Onderstaande gegevens zijn relevant voor een correcte diagnose en behandeling. De lijst kan altijd individueel worden aangevuld.
Algemene gegevens
- ontwikkelingsniveau
- motorische mogelijkheden en neuro-motorische stoornissen
- cognitieve mogelijkheden en taakspanning
- communicatieniveau
- algemene gezondheid en medicatie
- oorzaak van de beperking
- visuele mogelijkheden
- interesses
- andere bijzonderheden in de omgang met de persoon, bijvoorbeeld een roepnaam
Audiologische gegevens
- Zijn er familieleden met een gehoorverlies?
- Is er een vermoeden van gehoorverlies? Waarom wel of niet?
- Wanneer werd het gehoorverlies voor het eerst vermoed? Is er een evolutie?
- Worden de oren regelmatig gecontroleerd op oorproppen? Worden die vaak gevonden en verwijderd?
- Heeft de persoon regelmatig middenoorontstekingen, of had hij die als kind? Werd daarvoor behandeld?
- Reageert de persoon vlot op zijn naam? Wanneer wel en wanneer niet?
- Kan de persoon een geluidsbron lokaliseren?
- Hoe verloopt de communicatie? Is er een verschil met vroeger?
- Hoe reageert de persoon op harde geluiden?
- Reageert de persoon op het rinkelen van de telefoon of de deurbel?
- Reageert de persoon op eenvoudige opdrachten?
De onderzoeker probeert het functioneren vanuit een holistische visie in kaart te brengen, met aandacht voor sterktes en zwaktes op elk ontwikkelingsdomein en voor bevorderende en belemmerende factoren uit de omgeving. Hij kan daarvoor het ICF-model gebruiken (Internationale Classificatie van het Functioneren).
Bereid het bezoek aan het hoorcentrum goed voor. Kies als begeleider iemand die de testpersoon goed kent: die kan de vragen tijdens de intake beter beantwoorden, merkt reacties tijdens het onderzoek sneller op en kan beter inschatten of het écht om een reactie op geluid gaat.
Hoe verloopt het onderzoek?
De eerste stap is otoscopie. Daarmee controleert men in de eerste plaats of er overtollig oorsmeer aanwezig is. Omdat oorproppen het onderzoek sterk beïnvloeden, moet de behandelende arts die vooraf verwijderen. Ook infecties of eczeem in de gehoorgang worden eerst behandeld.
Daarna wordt een onderscheid gemaakt tussen subjectieve en objectieve tests:
- bij een subjectief onderzoek is bewuste, actieve medewerking of een zichtbare reactie op de geluidsprikkel nodig
- objectieve tests vereisen geen actieve medewerking
Meestal worden verschillende subjectieve en objectieve resultaten met elkaar vergeleken en samengevoegd. Dat heet het cross-checkprincipe. Mits een goede voorbereiding en een duidelijke aanpak is gehooronderzoek bij personen met een beperking zeker haalbaar.
De tests hieronder zijn oorspronkelijk ontwikkeld voor jonge kinderen. De vermelde ontwikkelingsleeftijden komen dus niet overeen met de kalenderleeftijd van de testpersoon.
Subjectieve gedragsaudiometrie
Deze onderzoeken stellen in de eerste plaats vast óf er gehoorverlies is. Is dat zo, dan bepalen ze ook de ernst en de locatie ervan. Afhankelijk van de mogelijkheden van de testpersoon kiest de audioloog een van onderstaande methodes.
Behaviour Observation Audiometry (BOA)
Ontwikkelingsleeftijd jonger dan 1 jaar.
Bij BOA worden specifieke geluiden aangeboden. De audioloog kan tonen met een bepaalde toonhoogte gebruiken, maar omdat die vaak minder reactie uitlokken, wordt meestal gewerkt met gefilterde dagelijkse geluiden. Door te filteren krijgt men toch een idee van de gehoordrempel op een specifieke frequentie. De audioloog observeert en analyseert de reacties, die bewust of onbewust kunnen zijn.
Voor de begeleider: geef door op welke geluiden de persoon zeer goed reageert (bijvoorbeeld muziek), en beoordeel de reacties samen met de audioloog.
Voordelen: bruikbaar bij een zeer laag ontwikkelingsniveau, vereist geen verbale instructie, en het verschil in reactie met en zonder hoorapparaten kan enigszins vergeleken worden.
Nadelen: zeer tijdsintensief, vaak meerdere testmomenten nodig, niet iedereen reageert (of blijft reageren) op hoorbare geluiden door gewenning, de reacties zijn vaak subtiel en moeilijk te observeren en te interpreteren. Veel audiologen beschikken over de test, maar missen ervaring met de doelgroep.
Visual Response Audiometry (VRA)
Ontwikkelingsleeftijd jonger dan 1 jaar, met meer kans op slagen vanaf 12 à 18 maanden.
Deze visuele bekrachtigingsmethode bestaat uit twee fasen. In de oefenfase leert de persoon reageren op geluid: een leuke visuele prikkel (een tekenfilm, een bewegend voorwerp, een lichtje) gaat altijd samen met een geluidsprikkel. In de eigenlijke testfase volgt de visuele prikkel pas ná de geluidsprikkel. Hoort de persoon het geluid, dan kijkt hij richting de visuele prikkel en wordt hij beloond. Zo kan de gehoordrempel op verschillende frequenties bepaald worden.
Voor de begeleider: geef door welke visuele prikkels de persoon boeien en op welke geluiden hij goed reageert.
Voordelen: snel en vrij betrouwbaar, geen verbale instructie nodig, vergelijking met en zonder hoorapparaten mogelijk.
Nadelen: motorische en sensorische stoornissen kunnen de test bemoeilijken, sommige personen slagen er niet in de visuele en auditieve prikkel aan elkaar te koppelen, en niet elke audioloog beschikt over deze test.
Touch procedure
Ontwikkelingsleeftijd vanaf ongeveer 20 maanden.
Het principe lijkt op dat van VRA, maar de visuele prikkel wordt vervangen door een tactiele prikkel. Gehoor is een gespecialiseerde vorm van voelen en ontwikkelt zich vanuit het voelen. Personen met een verstandelijke beperking kunnen geluid daardoor vaak makkelijker koppelen aan voelen dan aan zien.
Tijdens de oefenfase legt de persoon zijn hand op een luidspreker en voelt die trillen, terwijl er een geluid klinkt. Stoppen de trilling en het geluid, dan mag hij een handeling uitvoeren die hij leuk vindt, bijvoorbeeld een blokje in een doos gooien. Geleidelijk verdwijnt de tactiele prikkel en reageert de persoon enkel nog op het geluid. Dan start de eigenlijke test.
Voor de begeleider: geef door welke handelingen de persoon leuk vindt.
Voordelen: snel en vrij betrouwbaar, uitvoerbaar door één persoon, geen verbale instructie nodig, en bruikbaar bij wie een visuele prikkel niet aan geluid kan koppelen.
Nadelen: motorische, neuro-motorische en sensorische stoornissen kunnen de test bemoeilijken, sommige personen gaan te veel op in de handeling of nemen er te veel tijd voor, en niet elke audioloog beschikt over deze test.
Spelaudiometrie
Lukt zelden bij een ontwikkelingsleeftijd van minder dan 24 à 30 maanden.
De testpersoon leert een handeling uitvoeren zodra hij iets hoort: een balletje in een doos gooien, een blokje opsteken.
Voor de begeleider: geef door welke handelingen de persoon leuk vindt.
Voordelen: snel en vrij betrouwbaar, uitvoerbaar door één persoon, vergelijking met en zonder hoorapparaten mogelijk.
Nadelen: motorische, neuro-motorische en sensorische stoornissen kunnen de test bemoeilijken, en sommige personen gaan te veel op in de handeling.
Meting in vrij veld
Bovenstaande tests worden bij voorkeur afgenomen met een hoofdtelefoon of met inserttelefoons ("oortjes"). Verdraagt de persoon die niet, dan kan het onderzoek in vrij veld gebeuren: de geluiden komen dan uit luidsprekers in het lokaal. Nadeel is dat je geen zicht krijgt op beide oren afzonderlijk: je meet steeds de respons van het beste oor.
Objectieve onderzoeken
Tympanometrie
Hiermee gaat men na of er een middenoorprobleem aanwezig is. De test gebeurt met een meetprobe in het oor. De testpersoon moet die probe verdragen en korte tijd (minder dan een minuut) stil blijven zitten.
Oto-akoestische emissies (OAE)
OAE kunnen snel een gehoorverlies uitsluiten. Ook deze test gebeurt via een meetprobe in het oor. De testpersoon moet die verdragen en enkele minuten ontspannen stilzitten zonder te praten of te vocaliseren.
Brainstem Evoked Response Audiometry (BERA)
Bij BERA worden de reacties op geluid gemeten van het slakkenhuis, de gehoorzenuw en de auditieve centra in de hersenstam, via elektroden op het hoofd. Dit is ook het onderzoek waarmee Kind en Gezin het gehoor van baby's screent.
Via BERA kan de audioloog de gehoordrempel in een bepaald frequentiegebied afleiden zonder actieve medewerking van de testpersoon. Bij ernstige gehoorverliezen worden geen reacties meer gemeten.
De testpersoon wordt gevraagd zo ontspannen mogelijk te liggen. Het onderzoek duurt 30 minuten tot een uur. Lukt dat niet, dan gebeurt het onder sedatie of narcose, eventueel gecombineerd met een andere ingreep zoals een tandextractie.
Besluit
Zowel de objectieve als de subjectieve onderzoeksmethoden bieden mogelijkheden, maar hebben ook beperkingen. Door de subjectieve resultaten te vergelijken en samen te voegen met de objectieve resultaten is het toch mogelijk om een volledig en betrouwbaar beeld te krijgen van het gehoor van de testpersoon.
PDF, bijlagen en bibliografie
- Hoofdstuk 3: GehooronderzoekPDF · 0,5 MB (opent in een nieuw tabblad)
- Bijlage 1: Referentiecentra Kind & GezinPDF · 0,2 MB (opent in een nieuw tabblad)
- Bijlage 2: Checklist GehoorPDF · 0,4 MB (opent in een nieuw tabblad)
- Bijlage 4: Richtlijnen oor- en gehoorscreeningPDF · 0,3 MB (opent in een nieuw tabblad)
Bibliografie
- De Bal, C. (2003). Slechthorendheid bij personen met een verstandelijke handicap: prevalentie, diagnostiek en behandeling. Logopedie, 16(4), 51-66.
- De Neve, T. (2000). Prevalentie van gehoorverlies bij personen met een matige tot diepe verstandelijke handicap. Niet-gepubliceerd eindwerk, Arteveldehogeschool Gent.
- De Smit, M., Kerkhofs, K., Vandaele, B., & Franceus, J. (2021). Gehoorverlies bij kinderen. Acco.